frere rogerRoger Louis Schutz-Marsauche werd op 12 mei 1915 geboren in Provence, een dorpje in het Franssprekende deel van Zwitserland. Als 16-jarige kreeg hij tuberculose en was hij een aantal jaren ernstig ziek. Toen hij 21 was ging hij theologie studeren in Lausanne.

Vier jaar later, in 1940, vond hij het te makkelijk om de oorlog in het neutrale Zwitserland  door te brengen en hij verhuisde naar het door de Duitsers bezette oosten van Frankrijk. Alleen. In een klein dorpje begon hij een nieuw leven. Hij weidde zich aan het gebed, en bood ondertussen onderdak aan vluchtelingen, waaronder ook joden.

In de jaren daarna kreeg hij gezelschap van anderen die zijn visie deelden, wat op Pasen 1949 resulteerde in de vorming van een oecumenische kloostergemeenschap. Roger Schutz werd frère Roger, broeder Roger, prior van de gemeenschap. Een gemeenschap die, zo zei hij, bedoeld is als ‘gelijkenis’. Een gemeenschap die niet zozeer praat over verzoening en solidariteit, maar verzoening en solidariteit lééft.

Het dorpje heette Taizé. En de gemeenschap daar zou uitgroeien tot een unieke beweging. Vandaag de dag zijn er ongeveer honderd broeders, katholieken en protestanten, uit zo’n dertig verschillende landen. De meeste van hen wonen en werken in Taizé, maar er wonen ook kleine groepjes broeders in de armste delen van Azië, Afrika en Zuid-Amerika.

In de jaren 60 van de vorige eeuw begonnen grote groepen jongeren Taizé te bezoeken. Tegenwoordig zijn het er tienduizenden per jaar. Zij ontmoeten de gemeenschap en elkaar. Samen delen ze het verlangen een gelijkenis van verzoening en solidariteit te zijn. De meesten blijven een week. Sommigen langer. Er zijn er zelfs die voor altijd blijven. Jaarlijks treden er  enkele broeders toe tot de gemeenschap.

In 2005 werd de toen negentig jarige frère Roger tijdens het avondgebed vermoord. Nu tien jaar later constateert de gemeenschap met dankbaarheid dat ze er nog is en dat het goed gaat. Dat Taizé zonder frère Roger kan, was niet vanzelfsprekend. De gemeenschap heeft veel te danken aan zijn charisma. Hij maakte grote indruk op de jongeren die naar Taizé kwamen.

Want frère Roger was wat hij zei. Hij viel samen met zijn boodschap. Ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag heeft de gemeenschap een nieuw lied aan het repertoire toegevoegd. Wat zij anders nooit deden en wat frère Roger ook nooit deed, is nu gebeurd: de tekst van het lied is van zijn hand. Het is een van zijn vele gebeden.

‘Heureux qui s’abandonne à toi, ô Dieu, dans la confiance du cœur. Tu nous gardes dans la joie, la simplicité, la miséricorde.’

(Gelukkig zij die zich aan U toevertrouwen, o God, met een zeker hart. U bewaart ons bij de vreugde, de eenvoud en de genade.)

Het is een samenvatting van wat frère Roger zei en deed. Het is een voluit autobiografisch lied. En het is een lied wat voor mij ook typeert wat het zijn in Taizé zo aantrekkelijk maakt. Het leven daar draait om vreugde, eenvoud en genade. En dat is een verademing.

Waar wij nogal eens de neiging om wat bedrukt over geloof en kerk te spreken, worden we er door frère Roger aan herinnerd dat het Evangelie in de eerste plaats een bron van vreugde is. Het is iets om blij mee te zijn, want er is een God om je aan toe te vertrouwen. Zonder dat je dat eerst onderbouwd of beredeneerd of verantwoord hebt. Zo simpel is geloven ook.

Eenvoud speelt een belangrijke rol in het leven van de gemeenschap. De dagindeling, de gebouwen, het voedsel, de liederen, alles is eenvoudig. Maar eenvoud is geen doel op zich. Eenvoudig leven helpt je om beschikbaar te zijn. Voor God, voor anderen en voor jezelf.

Zo komt genade ons bestaan binnen. In een genadeloze wereld worden we drager van genade. Paulus schrijft: ‘De vrucht van de Geest is liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.’ (Galaten 5:22-23) Frère Roger wees ons die weg en we mogen God daar dankbaar voor zijn. De beste manier om dat te doen, is door hem na te volgen.

In: Barendrecht|Mededelingen|Sabeel

24 Nov 2014

Zoals u wellicht gemerkt heeft, leidt mijn website een wat slapend bestaan. Dat heeft meerdere oorzaken. Drukte is wel de belangrijkste. Maar ook dat ik veel van mijn ‘webwerktijd’ gebruikte en gebruik voor het beheer van de website van Vrienden van Sabeel Nederland. Vervolgens mocht ik ook nog eens meeschrijven aan een dagboek (waarover later meer). Dat was leuk en eervol, maar het leverde geen teksten op om op mijn website te zetten. Ik hoop op betere tijden.

Jan Willem Stam

  • Reacties staat uit voor

bosanemoon-2Voor het kerkblad van de Protestantse Gemeente te Barendrecht schreef ik ter gelegenheid van de naderende Hemelvaartsdag iets over Lied 663.

 

 

 

 

‘Al heeft Hij ons verlaten…’, een meditatie voor Hemelvaartsdag

Al heeft Hij ons verlaten,
Hij laat ons nooit alleen.
Wat wij in Hem bezaten
is altijd om ons heen
als zonlicht om de bloemen
een moeder om haar kind.
Teveel om op te noemen
zij wij door Hem bemind.

Al is Hij opgenomen,
houd in herinnering,
dat Hij terug zal komen,
zoals Hij van ons ging.
Wij leven van vertrouwen,
dat wij zijn majesteit
van oog tot oog aanschouwen
in alle eeuwigheid.

Dit Hemelvaartslied van Jan Willem Schutte Nordholt (1920-1995) is een van de mooiste liederen die ik ken. Ik weet nog goed dat ik het ontdekte in een van de eerste jaren dat ik studeerde. Ik was meteen verkocht. In een mum van tijd kende ik het lied uit mijn hoofd, wat mij zelden gebeurt.

Wat is het dat dit lied raakt? Het zal in ieder geval de melodie geweest zijn. In wat we inmiddels ‘het oude liedboek’ noemen, het Liedboek voor de Kerken, staat het lied als Gezang 234 op de prachtige melodie van het Adventslied ‘Hoe zal ik U ontvangen’. Musicologisch is dat niet helemaal correct, een Hemelvaartslied op een Adventsmelodie. In ‘het nieuwe liedboek’ heeft de liturgiepolitie die overtreding dan ook gecorrigeerd. Het lied is als Lied 663 opgenomen met de melodie van het lied ‘Beveel gerust uw wegen’. Dat mag kennelijk wel. Komende Hemelvaartsdag kunnen we het voor de eerste keer zo zingen. Ik weet niet of ik het een verbetering zal vinden, maar the proof of the pudding is in the eating.

Maar het kan niet alleen de melodie geweest zijn die me aantrok in dit lied. De tekst is ook bijzonder mooi. Er worden prachtige beelden opgeroepen: ‘zonlicht om de bloemen, een moeder om haar kind’. Vertederend, maar net niet sentimenteel. Dat komt ook doordat er verder geen beeldspraak wordt gebruikt. Het blijft bij zonlicht en moederliefde. Less is more, in de beperking toont zich de meester.

Verder spreekt ook schoonheid van de eerste twee regels me aan, ‘Al heeft Hij ons verlaten/Hij laat ons nooit alleen.’ Die regels zou je eigenlijk een paar keer hardop moeten zeggen. Dan hoor je dat ‘Al heeft’ rijmt op ‘alleen’ en ‘verlaten’ op ‘Hij laat’. Een Neerlandicus kan dat ongetwijfeld verder uitleggen. Ik hoor vooral een zin die staat als een huis. Een zin die geloof wekt. ‘Al heeft Hij ons verlaten, Hij laat ons nooit alleen.’ Ja, zo is het.

Schutte Nordholt schreef zelf over dit lied: ‘Wie van jongs af aan is opgegroeid en vertrouwd geraakt met de heilige woorden en teksten en termen kan er later mee worstelen, want ze keren terug als echo’s die in de weerkaatsende herhalingen gemakkelijk clichés worden. Wil hij ze blijven beleven, ja zelfs weer tot leven wekken in een lied, dan is een zekere afstand, een zekere verbazing nodig.

Het lied is ontstaan uit een verbazing over bepaalde klanken en samenvoegingen van woorden, en inhoudelijk, uit blijvende verwondering over het vreemde verhaal van de Hemelvaart als contrasterend met de innige gedachte van de dichte nabijheid van Jezus, op de meest redeloze momenten.’

Het verhaal van Jezus’ hemelvaart  is een vreemd verhaal. Net zoals het verhaal dat Hij leeft en door zijn Geest ons nabij is een vreemd verhaal is. Het is allemaal ongerijmd. Zoals ook ons leven en onze wereldgeschiedenis ongerijmd is. Wie met de verbazing van een dichter kijkt, durft te kijken, kan zich toch verwonderen. Te midden van alle ongerijmdheid klinkt het: ‘Al heeft Hij ons verlaten, Hij laat ons nooit alleen.’ Dat wij zo Hemelvaartsdag vieren!

F de Boer Even een knipoog naar het kampioenschap van Ajax.

Wat is de overeenkomst tussen mij en Frank de Boer? Maarten Wisse, docent dogmatiek en oecumene aan de Vrije Universiteit, schrijft er over op Het Goede Leven.

Eén kanttekening. Wisse stelt dat Frank de Boer zijn spelers “in de rust steevast de huid vol scheldt”. Ik vind de kracht van Frank de Boer juist dat hij zijn spelers nooit afbrandt. Hij is wel kritisch, maar nooit op de man. Hij verwijst altijd naar “onze filosofie”. Die filosofie houdt in dat Ajax altijd en overal verzorgd positiespel wil spelen. Als spelers dat niet doen, dan wijst De Boer ze daar op. Hij zegt niet: “Jij bakt er niets van.” Hij zegt: “Wij zijn Ajax en dus moet het beter.” Frank de Boer gelooft nog in een groot verhaal: het verhaal van een goed voetballend, dominant en attractief Ajax.

Ook dat is leerzaam voor een predikant. Er is in de kerk vaak veel wat anders kan en anders moet. Maar speel nooit op de man. Verwijs liever naar je gezamenlijke identiteit. “Wij zijn de kerk. Is wat we doen in overeenstemming met onze identiteit? Is wat we doen dienstbaar aan ons grote verhaal?”

bachGisteravond bleef ik hangen in de uitzending van De Wereld Draait Door over de Matthaüspassion. Het is en blijft een fenomenaal muziekstuk, zelfs in de zap-uitvoering van DWDD. En ik vond het ook intrigerend om te zien hoe Matthijs van Nieuwkerk en Paul Witteman, die doorgaans weinig blijk geven van enige kennis van en waardering voor religie, helemaal lyrische worden van het door en door christelijke, ja nota bene piëtistische meesterwerk van Johann Sebastian Bach. Ik weet niet zo goed wat ik er van denken moet.

Iets in mij zegt: wees dan blij dat ze tenminste nog de schoonheid en grootsheid van de Matthaüspassion zien, zo krijgen ze toch nog iets van het christelijk geloof mee, beter iets dan niets. En zo is het natuurlijk. Alleen heb ik als theoloog mijn bedenkingen. Want de vraag is of de Matthaüspassion wel zo representatief is voor het christelijk geloof. En hoe accuraat is de Matthaüspassion als hervertelling van Matteüs 26 en 27? En kun je die hoofdstukken wel navertellen zonder ook hoofdstuk 28 erbij te betrekken? Anders gezegd, kun je Jezus’ lijden en sterven wel vertolken zonder zijn opstanding te vermelden, ja, zonder zijn opstanding als uitgangspunt te nemen? Want is het niet juist zijn opstanding die zijn lijden betekenis geeft en voor ons relevant maakt?

Ik las daarover bij de theoloog Karl Barth. Voor Barth is het onmogelijk om over Jezus’ lijden te denken of te spreken zonder ook te denken of te spreken over zijn opstanding. Wat in de evangeliën wordt verteld over Jezus’ lijden, wordt ons verteld omdat hij is opgestaan. Was hij niet opgestaan, dan zou het ons nooit verteld worden. Dat komt in de Matthaüspassion niet echt tot uitdrukking, volgens Barth. Ik citeer wat hij daarover schrijft uit Karl Barth, De Koninklijke Mens, Berichten aangaande Jezus, Verzameld en ingeleid door Nico T. Bakker, p. 102-103.

Wat hier is gezegd, kan terloops ook als kritiek worden opgevat tegen de interpretatie van de lijdensgeschiedenis, zoals die op klassieke wijze is voorgedragen in de Matthaüspassion van Johann Sebastian Bach (1685-1750). Op haar zuiver muzikaal gehalte wil ik niet afdingen. De Matthaüspassion wil echter een uitleg zijn van de hoofdstukken 26 en 27 van het Matteüsevangelie. In die hoedanigheid kan ze haar hoorders alleen maar op een dwaalspoor brengen. Zij is één enkele, – in bijna ononderbroken moll – waarlijk wonderbaar golvende wolkenzee van zuchten, van klachten en aanklachten, van uitroepen van ontzetting, treurnis en medelijden: een treurode, die in een regelrecht grafgezang (‘Ruhe sanft’) uitmondt, een ode, die niet door de Paasboodschap is bepaald en er zelfs niet door wordt begrensd en waarin het motief ‘Jezus de Overwinnaar’ volledig stom blijft. Wanneer zal het aan de kerk en aan de vele duizenden en duizenden, die de lijdensgeschiedenis van het evangelie enkel in uitgerekend deze versie kennen, duidelijk worden gemaakt dat het hier om een abstractie gaat en dat dit beslist niet het lijden van Jezus Christus is?

Barth gaat hier wel heel kort door de bocht. Hij doet Bach – waarvan niemand kan twijfelen of hij in de opstanding geloofde – zelf in ieder geval geen recht. Bach hoefde bovendien de opstanding niet in de Matthaüspassion te verwerken, omdat hij gewoon een paar dagen later ook Pasen vierde (en van muziek voorzag). Barth’s woorden slaan wel op de huidige praktijk waarbij de uitvoering van de Matthaüspassion wordt losgemaakt uit de bedding van de vieringen van Palmzondag tot en met Paaszondag. Dan komt het lijden van Christus inderdaad op zichzelf te staan en dat is christelijk gesproken maar de halve waarheid. De dominee in mij zegt dat uitvoeringen van de Matthaüspassion eigenlijk zouden moeten worden gevolgd door een stevige Paaspreek. ‘De Heer is waarlijk opgestaan!’ Maar wie kan preken op het niveau waarop Bach componeerde?

ariaanbaan

Voor Klankbord, het kerkblad van de Protestantse Gemeente Barendrecht, schreef ik het volgende:

Op 6 februari promoveerde collega en bevriend theoloog Ariaan Baan aan de Protestantse Theologische Universiteit. Zijn proefschrift gaat over getuigen. Ariaan onderzocht hoe dat bij een – althans in het theologenwereldje – bekende Amerikaanse theoloog ter sprake komt.[1] Ik laat die Amerikaanse theoloog even voor wat hij is – mocht u geïnteresseerd zijn, google en gij zult vinden! – maar wat Ariaan over getuigen schrijft, is voor ieder christenmens de moeite waard.

Eén van de laatste dingen die Jezus volgens de evangelist Lucas tegen zijn leerlingen zegt, is: ‘Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en van mij getuigen in Jeruzalem, in heel Judea en Samaria, tot aan de uiteinden van de aarde.’ (Handelingen 1:8) En wat hier tegen de leerlingen wordt gezegd, hebben christenen de eeuwen door ook op zichzelf betrokken. De Heer noemt ons zijn getuigen, ja, Hij stelt eenvoudigweg dat wij zijn getuigen zijn.

Ons antwoord op Jezus’ leven, dood en opstanding kun je samenvatten als getuigen. Getuigen is de manier waarop christenen in de wereld aanwezig zijn. Getuigen, dat is wat de kerk doet. Geheel terecht staat in de kerkorde van de Protestantse Kerk daarom onder andere: “De kerk belijdt telkens opnieuw in haar vieren, spreken en handelen Jezus Christus als Heer en Verlosser van de wereld en roept daarmee op tot vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat. De kerk getuigt voor mensen, machten en overheden van Gods beloften en geboden en zoekt daarbij de samenspraak met andere kerken.”

U moet getuigen dus breed opvatten. Het is veel meer dan op een zeepkistje gaan staan oreren. Getuigen is woord en daad, spreken en zwijgen, doen en laten. Getuigen is niet iets voor erbij, wat je zo nu en dan gaat doen. Nee, getuigen is een levenshouding, iets wat je leven kleurt.

Ik schreef al: getuigen is in de eerste plaats een antwoord. Want aan ons getuigen, gaat Gods eigen getuigenis vooraf. Eerst spreekt God over zichzelf, te midden van zijn volk, door Jezus Christus, in zijn Woord en in zijn gemeente. En vervolgens roept Hij ons om van zijn spreken te getuigen. En dan pas komt ons getuigen in beeld. Wij spreken over “wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt” (1 Johannes 1:1). Zo beschouwd is getuigen dus meer een gave dan een opgave. Je mag het dan ook ontspannen doen.

Er is ten tweede nog een reden waarom getuigen ons geen benauwdheid hoeft op te leveren. Wij kunnen Gods roeping om van Hem en zijn heil te getuigen beantwoorden door de bijstand van de heilige Geest. De heilige Geest is in de eerste plaats Gods werkzame kracht die mensen bij elkaar brengt. Vrouwen en mannen die elkaar vinden als medegetuigen. Met elkaar en van elkaar leren wij te getuigen. In dat door de heilige Geest geleidde proces worden christenen aangemoedigd om hun oude levens en loyaliteiten op te geven en om een nieuw leven te starten in gemeenschap met elkaar en hun Heer Jezus Christus. Dat leerproces duurt levenslang. We hoeven dus niet in één keer een volmaakt getuigenis af te leggen, maar we mogen telkens groeien in getuigen-zijn. Dat betekent vaak opnieuw beginnen. Volgens het Evangelie is dat de normaalste zaak van de wereld.

Ariaan schrijft ten derde dat getuigen misschien wel de manier is om christen te zijn in een post-christelijke cultuur. Het christelijke geloof heeft zijn algemene geldigheid verloren en de kerk heeft haar dominante positie in de samenleving verloren. Dat zijn grote woorden, maar we merken het ook in Barendrecht aan teruglopend kerkbezoek, tekort aan vrijwilligers, tekort aan geld. Wij kunnen niet langer uitgaan van de algemene geldigheid van de christelijke boodschap. Het christelijk geloof is niet langer dé waarheid. Ook niet voor christenen. Ook wij leven in een wereld zonder zekerheden, zonder grote verhalen, zonder garanties dat onze overtuigingen de enige juiste zijn. Wat is waarheid?

Juist in die situatie worden wij tot getuigen. Wat waar is en niet waar, is uiteindelijk aan God. Wij kunnen slechts getuigenis afleggen. Niet om de strijd tussen waarheid en leugen te beslechten. Dat is immers niet onze strijd, maar Gods strijd. Getuige zijn betekent leven in de overtuiging dat de waarheid van God komt. En dus niet van ons. Voorop het proefschrift staat niet voor niets een plaatje van Johannes de Doper die van zichzelf af wijst. Veelzeggend.

Al met al is getuigen dus een ontspannen bezigheid. Een mogelijkheid die voor ons allen toegankelijk is. Hoe groot of klein ons geloof ook is. Wij getuigen immers niet van onszelf of over onszelf. Maar van Hem die de betrouwbare getuige (Openbaring 1:5) wordt genoemd, Jezus Christus.


[1] Ariaan Baan, The Necessity of Witness, Stanley Hauerwas’s Contribution to Systematic Theology.


BethlehemRuim vijf jaar geleden kwam ik door mijn werk voor IKV Pax Christi (inmiddels PAX) in contact met Palestijnse christenen. Die ontmoeting heeft veel impact gehad, persoonlijk, theologisch en politiek. Er gaat bijna geen dag voorbij of er is wel iets wat me daar aan doet denken. Geregeld heb ik daar iets van gedeeld via dit weblog.

Ik ben niet de enige. Velen die Israël en Palestina bezochten hebben dezelfde ervaring. Want je kunt eindeloos veel lezen over het Israëlisch-Palestijns conflict, maar je gaat het pas echt begrijpen als je er bent en de mensen waar het om gaat in de ogen kijkt. Het is ook iets waar Palestijnse christenen zelf om vragen: ‘Als je ons wilt helpen, kom dan en zie ons!’

Daarom beveel ik de komende studie- en ontmoetingsreis van Kerk in Actie van harte aan. Deze reis is van 1 tot en met 11 mei. Aanmelden kan tot 14 maart via dit formulier.

De reis wordt geleid door Margriet Westers en Meta Floor. Beide heb ik leren kennen als zeer deskundig en betrokken. Margriet en Meta werken voor Kerk in Actie. Meta is vooral bekend geworden door haar uitzending naar Sabeel in Jeruzalem en Margriet is hard op weg in Meta’s voetsporen te treden.

Ze schrijven over de reis onder andere:

Sinds het begin van het christendom wonen christenen in het heilige land. De laatste decennia is hun aantal procentueel sterk afgenomen. Steeds meer christenen emigreren vanwege de moeilijke omstandigheden waarin zij op dit moment leven. De christenen die blijven, voelen zich vaak ongehoord in de wereldwijde kerk. In het Palestijnse Kairosdocument doen Palestijnse christenen een oproep aan onder andere christenen in Nederland om ‘te komen en te zien’.

In deze reis geven we een antwoord op deze oproep: we komen, we zien, we luisteren. Deze reis is dan ook een volstrekt andere reis dan de gangbare (toeristische) reizen naar Israël / Palestina. We hebben veel ontmoetingen die inzicht geven in de realiteit van het (on)heilige land en de invloed van het conflict op het dagelijks leven van mensen.

Daarnaast ontmoeten we vertegenwoordigers van Israëlische en Palestijnse organisaties die werken voor vrede en gerechtigheid, moslims, joden en christenen. We zullen dan ook met een luisterende houding rondreizen en voortdurend reflecteren op alles wat we zien en horen. We verblijven op drie plekken: in Haifa (Galilea), Bethlehem (West Bank) en Oost-Jeruzalem.

stegemanVandaag was ik op de VU in Amsterdam voor de promotie van Janneke Stegeman, en het bijbehorende symposium. Ik ontmoette Janneke voor het eerst in 2008 in Jeruzalem op het kerstdiner van Sabeel. Ze was toen al bezig met het onderzoek waarvan ze verslag doet in haar dissertatie Decolonizing Jeremiah: Identity, Narratives and Power in Religious Tradition.

Wat houdt haar onderzoek in? Ze heeft allereerst onderzocht hoe de tekst van Jeremia 32 in elkaar zit. Dat is nogal complex. Zo op het eerste gezicht lijkt Jeremia 32 er over te gaan dat God via Jeremia belooft dat het volk Israël zal terugkeren naar het land. Janneke’s analyse gaat veel en veel verder. Haar conclusie is dat deze tekst niet eenduidig is, maar dat er verschillende stemmen klinken. Als je goed leest, zie je dat er ook andere stemmen klinken over de terugkeer van het volk naar het land. De tekst is doelbewust ambigue, stelt ze, en dus gaat het er niet om dat de lezer één boodschap (dé boodschap) te horen krijgen, maar dat zij/hij wordt betrokken in een voortgaande discussie. Een exegeet (=uitlegger) zou daar dienstbaar aan moeten zijn en op die manier zoveel mogelijk mensen in staat stellen deel te nemen aan die discussie. Janneke noemt dit inclusief lezen. Dat staat tegenover exclusief lezen waarbij één groep één boodschap uit de tekst haalt. Volgens Janneke is de exegeet dus verantwoordelijk voor de uitwerking van zijn exegese. Exegese vraagt om ethische stellingname.

Na haar grondige exegese heeft Janneke de tekst gelezen met heel verschillende groepen: joodse Israëliërs en Palestijnse christenen. Dat levert natuurlijk heel verschillende ervaringen op. De joodse Israëliërs waren geneigd de tekst zo te lezen dat het over hun eigen terugkeer naar het land ging, althans de terugkeer van de joden tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. De Palestijnse lezers vonden de tekst vooral vervelend, omdat ze het gevoel hadden dat de tekst hen hun land ontzegt. Beide lezen de tekst dus exclusief. Janneke probeerde beide groepen de gelaagdheid van de tekst te tonen, om er voor te zorgen dat de tekst hen tot een meer inclusieve lezing te bewegen.

Janneke heeft exegetisch vakmanschap en betrokkenheid weten te verbinden. Ik bewonder haar doorzettingsvermogen, moed en deskundigheid. Het was mooi bij haar promotie aanwezig te zijn.

Zomaar twee observaties.

Allereerst dat wat Janneke vraagt, namelijk verantwoordelijke exegese, is precies wat ik als predikant van week tot week probeer te doen met het oog op een preek: een ontmoeting arrangeren van de verhalen van de Bijbel en de verhalen van mensen. In die ontmoeting kan Gods stem klinken, daar vindt openbaring plaats. Ik probeer dat altijd op een inclusieve manier te doen. Dat heb ik net als Janneke geleerd door mijn ervaringen in Palestina en Israël.

Ten tweede dat Janneke’s uitspraak dat de exegeet ethisch te werk moet gaan, een theologische uitspraak van formaat is, terwijl Janneke het lijkt te doen willen voorkomen als slechts een liberale politieke uitspraak. Het is bijna een fundamentalistische uitspraak, dacht ik. Daar moet je je wel rekenschap van geven. Dat gebeurt in haar dissertatie niet zo, viel me op bij lezing ervan. Janneke werd daar op bevraagd door één van haar opponenten gisteren, professor Peter-Ben Smit. Waar haal je eigenlijk vandaan dat de exegeet inclusief moet lezen? Waarom moet een exegeet bijdragen aan verzoening en geweldloosheid? Uiteindelijk, zo zei Janneke, heb je als exegeet geen andere verantwoordelijkheid dan als mens, namelijk om met zo veel mogelijk mensen zo veel mogelijk goed te doen omdat God dat van ons vraagt. Ik heb het daar van harte mee eens. Het lijkt er wel op dat de dominee dat  makkelijker hardop zegt, dan de onderzoeker. En misschien hoort dat ook wel zo…

Kees van der ZwaardKees van der Zwaard is theatermaker en theoloog. Ik ken hem van mijn tijd als leervicaris in Culemborg. We verbeeldden toen onder zijn leiding Bijbelverhalen in kerkdiensten. Sindsdien bezocht ik een aantal van zijn intelligente, intense en speelse voorstellingen en volgde ik een paar keer een creatieve en persoonlijke training bij hem.

Kees schreef onderstaande tekst ‘Over het doen van een nieuwjaarswens’. Het bewijs dat hij zo veel meer is dan een dichtende dominee! Ik deel zijn tekst – met toestemming – bij wijze van mijn nieuwjaarswens voor de bezoekers van mijn website. Alle goeds voor 2014.

Over het het doen van een nieuwjaarswens

Bereik eerst overeenstemming over het tijdstip
waarop het nieuwe jaar begint.
1 januari ligt voor de hand, tenzij anders afgesproken
of als je joods bent of chinees of niet aan tijd gebonden.

Vervolgens komt het aan op de afstemming,
de toonsoort van je belangstelling: hoe wens je wie wat?

Zeg je ‘gelukkig nieuwjaar’ – geef dan geen definitie
om te voorkomen dat je niet uit je woorden komt.

‘Veel heil en zegen’ is een oude optie.
Gelieve bij atheïsten dat alleen te denken.
Een wens is geen boodschap.

Verlam creatievelingen niet met ‘doe je ding’.
De verbeelding heeft het al zwaar genoeg.

‘Optimale winstmaximalisatie’ voor kapitalisten
dien je te vermijden – het is gewoon een taalfout.

‘En dat we toffe jongens zijn’ mag je zingen
maar moet steeds opnieuw blijken.

‘Een blessurevrij seizoen’ voor sportievelingen
is aardig, maar pijnloos leven bestaat niet.

Alleen ‘een nieuw jaar’ voor zieken, mogelijk stervenden, kan,
maar vertel dan tegelijk waar je troost vindt.

Niets wensen kan ook.
Blijf dan binnen.

Praat over hoop,
maar geef geen planning.

Wens geluk
en beloof om niet weg te gaan.

Spreek van verlangen.
Je mag er bij zuchten.

Kies je voor de liefde,
dan zal een kus veel goed doen.

Kees van der Zwaard
31 december 2013

openIn Barendrecht wordt momenteel een debat gevoerd over het al dan niet openstellen van winkels op zondag. Er is kennelijk politieke aanleiding om dit nog voor de gemeenteraadsverkiezingen in maart te regelen. Het verzet tegen de zondagsopenstelling komt van Barendrechtse winkeliers die geen brood zien in nog ruimere openingstijden en van lokale christelijke partijen die om religieuze redenen tegen koopzondagen zijn.  In Alkmaar was ik helemaal gewend aan winkelend publiek op de maandelijkse koopzondagen. Nu moet ik er over nadenken. Hieronder zet ik wat van mijn overwegingen op een rijtje.

1. In de Tien Geboden staat: ‘Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de HEER, uw God; dan mag u niet werken. […] Want in zes dagen heeft de HEER de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij.’ (Exodus 20:8-11, NBV). Het Bijbelse Israël krijgt dus de verplichting op de zevende dag van de week te rusten. Het gebod wordt gemotiveerd met een verwijzing naar de schepping: God schiep de wereld in zes dagen en de op zevende dag rustte Hij daarvan. God rustte niet omdat Hij moe was, zo is mij altijd uitgelegd, maar rusten is hier bedoeld als genieten. Tot op de dag van vandaag houden joden de sabbat, hun wekelijkse rustdag, van vrijdagavond tot zaterdagavond.

Dit gebod is ook de basis voor de christelijke rustdag, de zondag. Ook in Barendrecht wordt nu gezegd dat God ons geboden heeft zes dagen te arbeiden en op de zevende dag te rusten. Ik vind dat een problematische bewering. De zondag is geen sabbat. Niet alleen is de zondag de eerste dag van de week in plaats van de laatste dag. Ook inhoudelijk gaat het om iets anders. De sabbat vindt zijn oorzaak, zoals ik al schreef, in het scheppingsverhaal. De zondag wordt door christenen gevierd, omdat de zondag de dag is waarop Jezus Christus opstond uit de dood. Joden vieren dus de voltooiing van de schepping, terwijl christenen het nieuwe begin in Christus vieren. Dat zijn echt twee verschillende dingen.

Een dieperliggende theologische vraag is of christenen zich het aan het Bijbelse volk Israël gegeven sabbatsgebod wel mogen toe-eigenen met het oog op de verdediging van hun zondag.Er lijkt hier sprake van een soort theologisch imperialisme waarbij christenen het verhaal van het joodse volk met God inpikken. Daarmee moeten we oppassen. De geschiedenis heeft laten zien dat zulk imperialisme slachtoffers maakt.

2. Moeten we daarom maar helemaal afzien van zondagsheiliging? Nee, ik denk dat er alle reden is om het christelijk geloof ook van invloed te laten zijn op onze tijdsbesteding. De betekenis van het geloof is allesomvattend. Een rustdag kan ons bij uitstek leren dat wij mensen niet onszelf overeind houden, maar dat wij mogen vertrouwen op God die de zaak van de mens in eigen hand heeft genomen. Wij bestaan niet (alleen) door wat wij doen, maar door wat God deed en doet. Een dag te nemen om dat te vieren, is een goede zaak. En de zondag ligt dan voor de hand, juist als dag waarop we denken aan Gods werk bij uitstek: de opstanding van zijn Zoon.

De vraag is natuurlijk wel of dat vandaag de dag nog collectief te organiseren valt. En of het wenselijk is om dit langs christelijke politieke lijnen te doen. Bovendien, bij het heiligen van de zondag komt wel meer kijken dan voorkomen dat winkels open gaan. Ik zou me liever bezig houden met de vraag wat dan wel goed is om te doen op zondag en hoe de kerk daar dienstbaar aan kan zijn.

3. Ik heb geen goed gevoel bij koopzondagen. Weer een dag waarop we in de eerste plaats worden aangesproken als consument. Weer een dag die uitgaat van het adagium: ‘Ik shop, dus ik besta.’ Weer een dag waarop wij alleen interessant zijn, omdat en voor zover we iets te besteden hebben. Weer een dag waarop het neo-liberale hyper-kapitalisme over ons heerst. Eigenlijk zouden we het met zijn allen niet moeten willen. En dat zou zich moeten vertalen in een maatschappelijke en politieke meerderheid tegen koopzondagen.

Aan de andere kant, er kan ook een oprecht verlangen zijn om op zondag dingen te kunnen kopen. Tweeverdieners die de hele week werken en op zaterdag met de kinderen op het sportveld staan, ja, die willen dan op zondag wel eens boodschappen of grotere aankopen doen. Moet hen dat verboden worden? Op christelijke gronden zelfs? Ik gun het iedereen het niet nodig te hebben om op zondag te moeten kopen. Dat zou ik als christen en als kerk graag over willen brengen. Dat liever dan over te brengen dat het niet mag.

4. Een zeker pragmatisme zou misschien ruimte scheppen. Koopzondagen, ja, maar niet de hele zondag en niet overal, om de impact van de koopzondag op de samenleving in proportie te houden. Dus alleen zondagmiddag de winkels open. En alleen de winkels waarbij het echt zin heeft. Voor de winkels in het centrum van Barendrecht leveren koopzondagen weinig op, maar voor bijvoorbeeld de IKEA ligt dat anders.

Koopzondagen, ik zeg dus: liever niet. Maar ik zou het jammer vinden als de discussie alleen gaat over waar we tegen zijn. Liever praat ik over waar ik voor ben: rust, vieren, ontmoeten en ontspannen. Ik wens onze bestuurders en volksvertegenwoordigers wijsheid toe om te onderscheiden waar het op aan komt in dit politieke debat.

Wie verder wil lezen raad ik het boekje Ethiek onderweg, van Gerrit de Kruijf aan, met name het eerste hoofdstuk ‘Vier de zondag’.